Schone lei-regeling voor ex-kankerpatiënten

Met ingang van 1 januari 2021 geldt een nieuwe regeling voor ex-kankerpatiënten die een overlijdensrisicoverzekering of uitvaartverzekering willen afsluiten. Deze regeling wordt de schone lei-regeling genoemd.

De regeling houdt in dat ex-kankerpatiënten tien jaar na het afronden van de behandeling en het bereiken van volledige remissie (de behandelend arts heeft de aanwezigheid van kanker niet meer kunnen vaststellen) bij het invullen van de gezondheidsverklaring niet meer hoeven te melden dat zij kanker hebben gehad. De regeling geldt voor een overlijdensrisicoverzekering onder de vragengrens of een uitvaartverzekering.

Als je jonger dan 21 jaar was toen de diagnose kanker werd gesteld, hoef je al na vijf jaar kankervrij*) zijn niet meer te melden dat je kanker hebt gehad. Voor sommige kankersoorten geldt een kortere termijn dan tien jaar. Klachten, ziekten of aandoeningen als gevolg van de kanker of van de behandeling van de kanker, moeten wel gemeld worden.

*) Met kankervrij bedoelen we op deze website het moment waarop ‘volledige remissie’ werd bereikt, dat wil zeggen dat de arts die je behandelde vaststelde dat de kanker niet meer is gevonden.

Via een tool kun je binnenkort bepalen welke regel op jou van toepassing is:

  • De algemene regel: 10 jaar kankervrij
  • Als je de diagnose kanker voor je 21ste kreeg: 5 jaar kankervrij
  • Een kortere termijn op basis van de termijnentabel

Let op: de regeling geldt alleen voor overlijdensrisicoverzekeringen waarvan de looptijd stopt voordat de verzekerde 71 jaar wordt en voor uitvaartverzekeringen die ingaan voordat de verzekerde 61 jaar wordt.

Vragengrens
De regeling geldt alleen voor verzekeringen onder de vragengrens. Onder deze grens mogen ook geen vragen gesteld worden over erfelijke aanleg. Het bedrag van de vragengrens wordt eens in de drie jaar aangepast. De actuele vragengrens lees je hier. Let op: als je binnen een periode van drie jaar meerdere verzekeringen afsluit, tellen deze allemaal mee voor de vragengrens. De grens gaat namelijk om het totaal verzekerde bedrag per verzekerde.

Als je een verzekering sluit boven de vragengrens, mogen verzekeraars altijd vragen stellen over kanker. Daarom moet je, als je kanker hebt (gehad), dit voor een verzekering boven de vragengrens altijd op de gezondheidsverklaring vermelden.

Als je klachten, ziekten of aandoeningen als gevolg van de kanker of van de behandeling tegen kanker hebt, bijvoorbeeld hartklachten na chemotherapie, moet je deze klachten altijd melden op de gezondheidsverklaring.

Om te bepalen of je op de gezondheidsverklaring moet melden of je kanker hebt gehad, kun je binnenkort gebruik maken van een tool. Bij twijfel kun je overleggen met jouw huisarts of je behandelend medisch specialist. Zij hebben immers alle medische informatie die nodig is.

Lees hier meer over de vragengrens.

Termijnentabel
In onderstaande tabel staan de kankersoorten waarvoor een kortere termijn geldt. Voor de kankersoorten die niet in de tabel staan, blijft de termijn van tien jaar gelden. Als je jonger dan 21 was bij de laatste diagnose geldt er een termijn van vijf jaar, tenzij de tabel een kortere termijn aangeeft.

Het is belangrijk om te weten per wanneer je kankervrij werd. Dit staat in je patiëntendossier. Je huisarts of behandelend medisch specialist kan je helpen om dit terug te vinden in je dossier.

Bron: NFK.nl


Kan een gezonde leefstijl vermoeidheidsklachten na dikkedarmkanker verminderen?

Kan een gezondere levensstijl chronische vermoeidheid na dikkedarmkanker verminderen? Dit is de centrale vraag in een project van Wageningen University & Research om manieren te vinden om ex-kankerpatiënten beter te ondersteunen.

Wat is de opzet van de studie?
“In de SoFIT studie bekijken we wat het effect is van een leefstijlprogramma bij mensen die met vermoeidheid kampen na afloop van de behandeling van dikkedarmkanker. Het Wereld Kanker Onderzoek Fonds heeft richtlijnen opgesteld die mensen kunnen helpen om hun risico op het (opnieuw) krijgen van kanker te verkleinen. In dit onderzoek gaan we bekijken of het beter voldoen aan deze richtlijnen ook helpt om je na dikkedarmkanker minder vermoeid te voelen.”

“Door middel van loting worden 150 studiedeelnemers ingedeeld in twee groepen: de ene groep zal gedurende zes maanden meedoen aan een leefstijlprogramma, de andere groep (de controlegroep) niet. We meten in deze periode of er verschil in vermoeidheid is tussen de deelnemers aan het leefstijlprogamma en die in de controlegroep. Overigens krijgen de deelnemers in de controlegroep na afloop van het onderzoek ook toegang tot de materialen van het leefstijlprogramma.”

“Daarnaast gaan we met behulp van echo’s bepalen in welke mate er sprake is van infiltratie van vet in de spieren, een proces dat spiervervetting wordt genoemd. Uit eerder onderzoek weten we dat dit allerlei negatieve effecten kan hebben voor mensen met kanker. Zo zien we onder andere een samenhang tussen spiervervetting en vermoeidheid. Daarom willen we nu onderzoeken of een gezondere leefstijl kan helpen om spiervervetting te verminderen, en daarmee hopelijk ook vermoeidheid.”

Wat houdt het leefstijlprogramma in?
“Het leefstijlprogramma zal bestaan uit coaching op het gebied van voeding en beweging. De coach stelt samen met de deelnemer een individueel programma op om de deelnemer gezonder te laten eten en meer te laten bewegen. Hierbij maken we onder andere gebruik van de materialen van het Wereld Kanker Onderzoek Fonds, zoals de brochures en recepten.”

“Het leefstijlprogramma wordt nu samen met experts op het gebied van gedragsverandering van de afdeling ‘Consumptie en Gezonde Levensstijl’ van Wageningen University en met de patiëntenvereniging vormgegeven. We hopen in 2021 met de leefstijlprogramma’s in de SoFIT-studie aan de slag te kunnen gaan.”

Krijg je hulp bij de studie?
“Gelukkig heb ik onder andere hulp van twee promotieonderzoekers, Koen Manusama en Judith ten Have. Gedurende de komende vier jaar zullen zij zorg dragen voor de SoFIT studie. Het opzetten en uitvoeren van dit onderzoek en het beschrijven van de resultaten zullen de kern vormen van hun promotieonderzoek. Het is ontzettend fijn dat we met een onderzoeksubsidie van het Wereld Kanker Onderzoek Fonds en met ondersteuning van de afdeling Humane Voeding en Gezondheid van Wageningen University twee promotieonderzoekers hebben kunnen aanstellen.”

Wat is er zo belangrijk aan dit onderzoek?
“De recente ontwikkelingen rondom corona laten ons weer zien hoe belangrijk een gezonde leefstijl is. In Nederland kampt een op de drie mensen boven de vijftig jaar met een chronische ziekte, zoals hart- en vaatziekten, diabetes of kanker. Deze mensen zijn in deze tijden van corona de meest kwetsbare groep. We weten echter ook hoe moeilijk gedragsverandering is. Met dit onderzoek willen we ontdekken hoe gedragsverandering in de praktijk behaald kan worden en hoe dit mensen al op korte termijn kan helpen om fitter en minder vermoeid te zijn.”

Wat hoop je met je onderzoek bereiken?
“We hopen dat we met dit onderzoek kunnen laten zien dat een gezondere leefstijl haalbaar is voor mensen die last hebben van vermoeidheid na dikkedarmkanker en dat we beter weten hoe we deze mensen kunnen begeleiden om een gezondere leefstijl op te pakken.”

“Daarnaast hoop ik dat we kunnen aantonen dat een gezondere leefstijl daadwerkelijk bijdraagt aan minder vermoeidheid en een betere kwaliteit van leven. Wetenschappelijk gezien hoop ik ook beter te begrijpen hoe dit precies werkt; werkt dit via spiervervetting of zijn er andere fysiologische processen die veranderen en zorgen voor vermoeidheidsklachten?”

Wat kunnen resultaten van dit onderzoek betekenen voor de zorg?
“Van zorgverleners horen we vaak dat er na afloop van de behandeling van kanker een gat kan zijn. De patiënt is genezen en kan weer door met zijn leven, maar vaak zijn er hierna allerlei klachten en mist goede begeleiding. Met dit onderzoek hopen we bij te dragen aan het opvullen van dit gat.”

Meer informatie over de SoFIT studie kun je hier vinden.

Bron: WKOF Wereld Kanker Onderzoek Fonds


Opsporing Lynch-syndroom verbeterd

De kans dat iemand met erfelijke darmkanker (Lynch syndroom) wordt herkend, neemt enorm toe wanneer iedereen met darmkanker onder de 70 hiervoor een tumortest krijgt. Hierdoor komen meer patiënten erachter of er bij hen sprake is van deze erfelijke aanleg. Dit betekent dat ook familieleden onderzocht kunnen worden. Zo komen zij in beeld voordat zij eventueel kanker ontwikkelen. Ook kan met deze werkwijze vaker een erfelijke aanleg worden uitgesloten waardoor onnodige controles voorkomen kunnen worden. De analyse van de tumortest is gedaan door Nicoline Hoogerbrugge, Marjolijn Ligtenberg en Janet Vos van het Radboudumc, en is gepubliceerd in het International Journal of Cancer.

Lynch-syndroom
Elk jaar krijgen zo’n 13.000 mensen de diagnose darmkanker. In zo’n 2% van de gevallen wordt de ziekte veroorzaakt door het Lynch-syndroom, een erfelijke aandoening die een sterk verhoogde kans geeft op het ontstaan van darmkanker. Als dit syndroom de oorzaak is, ontstaat de darmkanker vaak al voor het 50ste levensjaar. Dat is veel vroeger dan bij niet-erfelijke vormen van darmkanker, die meestal pas boven de 65 ontstaan. Daarnaast hebben vrouwen met het Lynch-syndroom een risico van 25% tot 70% om baarmoederkanker te krijgen en hebben zowel mannen als vrouwen een grotere kans op het ontwikkelen van sommige andere vormen van kanker.

Opsporing Lynch syndroom verbeterd
In 2016 zijn nieuwe richtlijnen ingevoerd om mensen met Lynch-syndroom sneller op te sporen en waar nodig te behandelen. Dit houdt in dat bij iedereen die voor zijn 70ste darmkanker krijgt, middels een tumortest wordt bepaald of er een grote kans is op Lynch-syndroom. Alleen als dat het geval is, worden mensen doorverwezen naar de klinisch geneticus om vast te stellen of er echt sprake is van erfelijke darmkanker. Nicoline Hoogerbrugge en haar collega’s van het Radboudumc en onderzoekers van Maastricht UMC+ hebben onderzocht wat het effect is van deze tumortest door de cijfers van 19 ziekenhuizen in Zuid- en Oost-Nederland te bekijken. Het onderzoek kwam tot stand door financiering van de Maag Lever Darm Stichting en de Vriendenloterij.

Uit de analyse van deze cijfers blijkt dat maar liefst 89% van de pathologen de tumortest omarmd heeft. Ook de chirurg verwijst met deze methode vaker mensen met een hoog risico op erfelijke darmkanker door naar de klinisch geneticus. Omdat het nieuwe systeem met tumortest eenvoudig in gebruik is, worden meer Lynchpatiënten opgespoord en herkend. Dit gebeurt nu twee tot drie keer vaker dan in het oude systeem.

Doordat meer patiënten met Lynch-syndroom worden opgespoord, kunnen ook meer familieleden getest worden op de aanwezigheid van het Lynch- syndroom voordat zij een vorm van kanker ontwikkelen. Als ze het Lynch hebben, weten ze dat ze een sterk verhoogd risico lopen. Door regelmatige controles kan darmkanker bij hen eerder worden opgespoord. Daarnaast wordt met deze werkwijze erfelijkheid vaker uitgesloten waardoor onnodige controles bij patiënten en familieleden worden voorkomen.

Hoogleraar Erfelijke Kanker Nicoline Hoogerbrugge: “Het is uiteraard aan patiënten en hun naasten zelf of zij na een afwijkende tumortest vervolgonderzoek bij de klinisch geneticus willen laten doen. Soms willen patiënten eerst hun behandeling afwachten of willen mensen helemaal niet weten of er sprake is van erfelijkheid. We weten door deze studie dat de tumortest in de dagelijkse praktijk goed werkt en voor veel mensen aanleiding is om verder erfelijkheidsonderzoek te laten doen. De kans op het vinden van het Lynch-syndroom is door de tumortest enorm toegenomen. Het is nu in theorie mogelijk om vrijwel iedere patiënt met Lynch-syndroom op te sporen. Zo kunnen we bij patiënten en familieleden vaker kanker voorkomen.”

Grotere kans op erfelijkheid bij darmkanker op jonge leeftijd
Uit het onderzoek blijkt daarnaast dat de kans op Lynch-syndroom boven de 65 jaar heel klein is. De onderzoekers pleiten er daarom voor de tumortest alleen nog maar standaard uit te voeren bij darmkanker bij patiënten onder de 65 jaar:

  • Darmkanker patiënten onder 40 jaar: ca. 18% Lynch syndroom.
  • Darmkanker patiënten tussen 40 en 64 jaar: ca. 1,7% Lynch syndroom.
  • Darmkanker patiënten tussen 65 en 69 jaar: ca. 0.7% Lynch syndroom.

Nicoline Hoogerbrugge: “De groep patiënten boven de 65 jaar is groot. Meer dan 70% van de patiënten met darmkanker is ouder dan 65 jaar. Een verwijzing naar de klinisch geneticus kan ongerustheid over familieleden met zich mee brengen. We zien dat er juist in deze groep vrijwel nooit sprake is van Lynch syndroom, tenzij er sprake is van darmkanker op jonge leeftijd in de familie.”

Bron: Radboud UMC research


Richard Groen

‘Mijn naam is Richard Groen. Ik ben 43 jaar oud en ik woon in Almere. Mensen schrikken vaak als ze horen dat ik PJS heb. Ze kennen de ziekte niet en verwarren haar vaak met de ziekte van Crohn. Ik leg dan uit dat bij mijnziekte de poliepen meestal goedaardig zijn. Een poliep is zacht weefsel dat kan beschadigen door voedsel dat erlangs schuurt, waardoor je (lichte) bloedingen krijgt en het hemoglobinegehalte (Hb) in het bloed zakt. Ik had een Hb van 3,7, terwijl een gezond Hb tussen de 8,5 en 11 ligt. Naar aanleiding daarvan volgde een onderzoek waaruit bleek dat ik PJS heb.

Sinds de ontdekking van mijn poliepen zijn we alweer 22 jaar verder. In de tussentijd zijn bij mij meerdere keren poliepen verwijderd, met verschillende poliklinische ingrepen en één keer met een operatie. De meeste van deze ingrepen waren succesvol; er zijn al veel poliepen uit mijn lichaam verwijderd. Twee keer ging het niet zo goed. Bij het wegsnijden van een poliep bleken beide keren de aderen in de poliep dikker te zijn dan verwacht. Daardoor kreeg ik ernstige bloedingen en moest ik in het ziekenhuis worden opgenomen. De verwijderde
poliepen zijn tot nu altijd nog goedaardig geweest, maar er is altijd kans dat er een keer een kwaadaardige poliep tussen zit.

In het dagelijks leven heb ik geen last van mijn PJS; ik heb geen beperkingen. Ik gebruik geen medicijnen, ik heb geen dieet, ik heb geen klachten van mijn maag of darmen. Wat merk ik dan wel van mijn PJS? Ik ga gemiddeld twee keer per jaar naar een maag-darm-leverarts voor controle. Dan wordt het behandelplan besproken en indien nodig worden er afspraken gemaakt voor verschillende onderzoeken. Dat kunnen zijn: een MRI van de dunne darm, een colonoscopie (kijkonderzoek van de dikke darm) en een gastroscopie (kijkonderzoek van de maag). Als er (te) grote poliepen in mijn dunne darm gevonden worden, dan worden deze verwijderd met een
dubbelballon-endoscopie.

Voor het thuisfront is het altijd spannend wanneer ik naar de uitslaapkamer word gebracht. Als ik nog aan het bijkomen ben van mijn propofolroesje, vraag ik wel tien keer of alles goed is gegaan en kan ik niet wachten tot ik weer iets kan eten. De onderzoeken vind ik lastig, met name omdat ik in spanning zit of alles goed gaat en of er geen kwaadaardige cellen zullen worden gevonden. Maar, aan de andere kant is het geruststellend dat ik goed in de gaten word gehouden.’


Dr. Henry T. Lynch vader vd genetica is overleden

Henry T. Lynch (4 januari 1928 – 2 juni 2019) was een Amerikaanse arts die bekend stond om zijn ontdekking van familiaire vatbaarheid voor bepaalde soorten kanker en zijn onderzoek naar genetische banden met kanker .

Hij wordt soms beschreven als “de vader van erfelijke kankerdetectie en -preventie” of de “vader van kankergenetica”, hoewel Lynch zelf zei dat die titel naar de vroege 20e-eeuwse patholoog Aldred Scott Warthin moest gaan .

Lynch is voorzitter van de preventieve geneeskunde aan de Creighton University School of Medicine in Omaha, Nebraska en heeft de Charles F. en Mary C. Heider Endowed Chair in Cancer Research.

Henry T. Lynch staat bekend als de ” vader van kanker genetica ” en ” de vader van erfelijke kanker detectie en preventie ” voor zijn werk dat kanker syndromen en hun patronen van erfenis identificeert.

Dr Lynch begon met het bestuderen van de potentiële erfelijke oorzaken van nonpolyposis darmkanker in de jaren 60, toen de medische orthodoxie zei dat kanker geen erfelijke ziekte was.

Hij definieerde de noodzakelijke criteria voor een genetische kanker: vroege leeftijd van begin van de ziekte, specifiek patroon van meerdere primaire kankers en Mendeliaanse overervingspatronen in honderden uitgebreide families wereldwijd.

Zijn bevindingen leidden tot de identificatie van erfelijke nonpolyposis colorectale kanker, beter bekend als het Lynch-syndroom. Dr. lynch’ s resultaten toonden aan dat, bij vroegtijdige detectie, tot 90 % van de patiënten met Lynch-syndroom en andere darmkanker genezen kunnen worden.

Hij demonstreerde het Mendeliaanse overervingspatroon voor bepaalde borst- en eileider-kankers, die de basis legden voor de identificatie van specifieke genen die verantwoordelijk zijn voor deze familiale kankers, zoals BRCA1 en BRCA2.

Hij ontving vele prijzen tijdens zijn carrière, waaronder een medal of honor voor klinisch onderzoek van de amerikaanse kanker maatschappij in 1997 en de AACR-joseph h. Burchenal memorial award voor een uitstekende prestatie bij klinisch kankeronderzoek in 2010.

Bron: Lynch Syndrome International Facebook


DNA-test bij darmkanker

COLON studie: heeft voeding en leefstijl invloed tijdens en na darmkanker?

Kunnen voeding en leefstijl invloed hebben op het ziekteverloop bij dikkedarmkanker? Daar doet Wageningen University & Research momenteel onderzoek naar. Prof. dr. Ellen Kampman is hoogleraar Voeding en Ziekte van Wageningen University & Research en initiator van de zogenoemde COLON studie, waarvan de eerste resultaten nu beschikbaar zijn.

Wat was de aanleiding voor de COLON studie?
‘Jaarlijks krijgen bijna 15.000 mensen in Nederland dikkedarmkanker. We weten al langer dat er een sterk verband is tussen leefstijl en het ontstaan van darmkanker. Ongeveer 50 procent van de diagnoses is te voorkomen door meer beweging en een gezonde voeding. De volgende vraag is dan: gelden adviezen voor gezonde voeding en meer beweging ook voor mensen bij wie de diagnose darmkanker al gesteld is? Om daar een goed onderbouwd antwoord op te kunnen geven, zijn we in 2010 gestart met de COLON studie.’

Wat houdt deze studie in?
‘In de COLON studie worden patiënten met dikkedarmkanker gevolgd. COLON staat voor “Colorectaal kanker: Observationele, LONgitudinale studie”. In dit onderzoek kijken we of voeding en leefstijl een rol spelen tijdens en na de ziekte. We hebben het eerste contact met de patiënten kort na het stellen van de diagnose en we vragen ze om gedurende 5 jaar op verschillende tijdstippen vragenlijsten in te vullen en wat bloed af te staan. We gebruiken hiervoor verschillende vragenlijsten: een algemene met onder andere vragen over lengte, gewicht, medicijngebruik, lichamelijke beweging en medische geschiedenis, een uitgebreide voedselvragenlijst, een lijst met vragen over het gebruik van supplementen en een vragenlijst over de kwaliteit van leven. Zo hopen we uiteindelijk een beeld te krijgen van factoren die onder andere samenhangen met de kans op overleven. We verzamelen informatie bij ongeveer 2500 patiënten met dikkedarmkanker uit verschillende ziekenhuizen. Inmiddels zijn de eerste resultaten van het onderzoek bekend.’

Wat is een opvallend resultaat tot nu toe?
‘Eerder werd in internationale onderzoeken al naar het gewicht van darmkankerpatiënten gekeken, maar meestal werd dan gefocust op gewichtsverandering ná de diagnose. In de COLON studie vroegen we de patiënten naar hun gewicht 2 jaar voor en na de diagnose. Gemiddeld verloren patiënten voor de diagnose wat gewicht. Twee jaar na de diagnose waren ze weer terug op het oude niveau. Vervolgonderzoek zal deze resultaten moeten bevestigen voordat hier conclusies aan kunnen worden verbonden. Maar het is wel belangrijk om het gewicht goed in de gaten te houden en ook te kijken naar de verhoudingen van onder andere vet en spieren in het lichaam. We zagen dat als het vetgehalte stijgt en de spiermassa afneemt, dit bijvoorbeeld zorgt voor meer vermoeidheid.

Wat gaan jullie nog meer onderzoeken in deze studie?
‘We kijken bijvoorbeeld ook naar het vitamine D-gehalte in het bloed. We weten dat dit laag is bij mensen bij wie de diagnose darmkanker wordt gesteld. Maar we weten niet wat oorzaak en wat gevolg is. Is het vitamine D-gehalte gedaald doordat mensen een tumor hebben of ontstaat een darmtumor sneller bij mensen met een laag gehalte aan vitamine D in hun bloed? Dat gaan we in deze studie bekijken. We kunnen zien of het gehalte van vitamine D in het bloed na therapie nog verder daalt en ook of het weer stijgt als de tumor weg is zonder dat mensen er een vitamine D supplement voor slikken.’

Wat gebeurt er met al deze uitkomsten?
‘Alle onderzoeken hebben één doel: mensen met darmkanker zo goed mogelijk adviseren. Nu gebruiken we voor de preventie van kanker de Richtlijnen voor Kankerpreventie van het World Cancer Research Fund/American Institute for Cancer Research. Die richtlijnen zijn opgesteld voor gezonde mensen om het risico op kanker zo laag mogelijk te houden. We vragen ons af of je die adviezen ook moet geven aan mensen die darmkanker hebben. Misschien moeten voor hen de richtlijnen wel aangescherpt worden of zijn specifiekere richtlijnen nodig. Ik kan me voorstellen dat er, vanwege spierverlies, geadviseerd gaat worden dat meer eiwitten nodig zijn en wellicht komt er ook een advies welke specifieke eiwitten dan het beste zijn. En hebben darmkankerpatiënten bijvoorbeeld extra vitamine D nodig om de ziekte zo goed mogelijk door te komen? Op al dit soort vragen willen we graag antwoorden hebben, zodat er adviezen gegeven kunnen worden die wetenschappelijk onderbouwd zijn. Er is dus nog genoeg te onderzoeken!’

Het hele interview met Ellen Kampman is te lezen op de site van Wageningen University & Research.

Bron: Nieuws! voor diëtisten april 2019


Supplementgebruik en vermoeidheid na dikkedarmkanker

Vermoeidheid is een veelvoorkomende klacht bij mensen die dikkedarmkanker hebben gehad. Promovendus Annaleen Koole van Maastricht University heeft onderzocht welke rol supplementgebruik speelt bij vermoeidheid. Zij presenteerde de resultaten van haar studie tijdens de Masterclass Nutrition and Cancer in Wageningen begin februari dit jaar.

Annaleen: “Een aanzienlijk deel (40%) van de mensen met dikkedarmkanker gebruikt voedingssupplementen. Het gaat hier met name om multivitaminesupplementen. In mijn studie heb ik gekeken of het gebruik van deze voedingssupplementen van invloed is op de vermoeidheid die mensen na de behandeling ervaren. Ik heb dit van zes weken tot twee jaar na de behandeling gemeten. Hierbij heb ik gebruik gemaakt van longitudinale gegevens van de EnCoRe-studie, een prospectieve cohorstudie bij mensen met dikkedarmkanker die vanaf de diagnose gevolgd worden.

Op basis van de resultaten van mijn onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat het gebruik van voedingssupplementen helpt om vermoeidheidsklachten te verminderen. Aanvullend onderzoek wijst erop dat mensen waarschijnlijk juist voedingssupplementen gaan gebruiken om hun vermoeidheidsklachten te bestrijden.”

Het Wereld Kanker Onderzoek Fonds adviseert in haar aanbevelingen geen voedingssupplementen te gebruiken ter preventie van kanker. Deze aanbeveling is ook van toepassing op mensen die de behandeling voor kanker hebben afgerond.

Lees het gepubliceerde artikel van Annaleen.

Bron: Wereld Kanker Onderzoek Fonds – www.wkof.nl


Lynch-syndroom door PMS2-mutatie: geen verhoogd risico andere kankersoorten

Mensen met het erfelijke Lynch-syndroom door mutatie in het PMS2-gen hebben een licht verhoogde kans op darm- en baarmoederkanker, maar de kans op andere kankersoorten is niet duidelijk verhoogd. Dat ontdekte een internationale groep wetenschappers onder leiding van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Ze publiceren hun bevindingen in het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Clinical Oncology.

De wetenschappers trekken hun conclusies na het bestuderen van de gegevens van 4878 leden van 284 families, waarin een mutatie in het PMS2-gen voorkomt. Deze mutatie is één van de oorzaken van het erfelijke Lynch-syndroom. Patiënten met deze aandoening hebben een licht verhoogde kans op het krijgen van darm- en baarmoederkanker op oudere leeftijd. Tot nu toe was onduidelijk hoe het zat met de kans op andere kankersoorten, zoals maag-, eierstok-, dunne darm-, blaas-, lever-, nier-, hersen-, borst-, en prostaatkanker.

Geen extra screenings
“Uit onze studie blijkt dat de kans op deze kankersoorten voor dragers van de PMS2-mutatie niet duidelijk hoger is dan voor de algemene bevolking. Zoals we al hadden verwacht zien we wel een licht verhoogde kans op darm- en baarmoederkanker”, aldus arts-onderzoeker Sanne ten Broeke. Ze deed het onderzoek onder leiding van klinisch geneticus Maartje Nielsen.

Het was voor het eerst dat wetenschappers zo’n grote groep PMS2-dragers onder de loep namen. De onderzoekers raden aan om Lynch-patiënten alleen extra te controleren op darm- en baarmoederkanker en geen extra screenings in het leven te roepen voor andere kankersoorten.

Minder vaak controle
Recent ontdekte dezelfde onderzoeksgroep ook dat darmtumoren van Lynch-patiënten met de PMS2-mutatie andere kenmerken hebben dan die van Lynch-patiënten met een mutatie in het MLH1-gen. “Dit verklaart mogelijk waarom tumoren van PMS2-mutatiedragers minder snel groeien. Dragers van de PMS2-mutatie hoeven dus niet zoals gebruikelijk is elke twee jaar gecontroleerd te worden, maar misschien maar elke drie tot vier jaar”, aldus Nielsen.

Het artikel ‘Cancer risks for PMS2-associated Lynch syndrome’ is te lezen op de website van het Journal of Clinical Oncology.

Bron: www.lumc.nl


Bacteriën spelen grote rol in bevorderen darmkanker FAP

Twee soorten darmbacteriën spelen een rol bij de groei van tumoren bij patiënten met erfelijke darmkanker zoals FAP. Dit blijkt uit Amerikaans onderzoek van het Johns Hopkins University waar Annemarie Boleij van het Radboudumc aan meewerkte. Bij muizen lijken beide bacteriën zelfs samen te werken om de groei van tumoren te bevorderen. Deze verrassende ontdekking biedt nieuwe mogelijkheden voor diagnostiek en preventie van darmkanker. De resultaten verschenen op 2 februari in Science.

Ongeveer vijf procent van de gevallen van darmkanker zijn het gevolg van een erfelijke variant, zoals familiaire adenomateuze polyposis (FAP). Patiënten met dit syndroom hebben een mutatie in een gen dat normaal gesproken tumorvorming onderdrukt. Al vanaf jonge leeftijd hebben patiënten daardoor last van poliepvorming in de darm, wat na verloop van tijd overgaat in darmkanker. Van patiënten met niet erfelijke darmkanker is bekend dat sommige bacteriën het darmslijmvlies kunnen binnendringen op de plaatsen waar tumoren ontstaan. Het is de vraag of deze bacteriën ook een rol spelen in het ontstaan van de kanker.

Biofilms
In darmweefsel van zes FAP-patiënten vonden de onderzoekers biofilms van bacteriën in de slijmlaag van de dikke darm. Een biofilm is een bacteriekolonie die is omringd door een eigen slijmlaag die de bacteriën beschermt tegen invloeden van buitenaf. Een genetische analyse wees uit dat deze films voornamelijk bestaan uit Escherichia coli en Bacteriodes fragilis. Dit is opmerkelijk, aangezien er meer dan 500 bacteriesoorten in de darm voorkomen en beide bacteriën normaal gesproken als gezond beschouwd worden.

Samenwerken
Een diepere analyse van de bacteriën in darmbiopten van 25 andere FAP-patiënten liet zien dat het om subtypes van de bacteriën gaat die zogenaamde oncotoxines produceren. De B. fragilis bacteriën maken een giftige stof die cellen in de darmwand aanzetten tot tumorgroei. Deze stof lokt daarnaast een ontstekingsreactie uit die in het voordeel van de tumor lijkt te werken. E.coli bacteriën maken op hun beurt een stof die DNA-schade veroorzaakt aan de darmcellen, wat kan resulteren in mutaties in het DNA.

Synergie
Annemarie Boleij werkte met behulp van een Rubicon subsidie twee jaar mee aan het onderzoek bij de Johns Hopkins University: “We hebben bij muizen onderzocht hoe de bacteriën samenwerken. Afzonderlijk doen ze niets. Maar samen is er een synergie en ontstaan er tumoren. Dit kan te maken hebben met die ontstekingsreactie. En het lijkt ook zo te zijn dat B. fragilis zich in de slijmlaag van de darm kan vestigen en zo de weg vrij kan maken voor de E. coli bacteriën wat leidt tot verhoogde DNA-schade en tumorvorming.”

Preventie
De bevindingen in Science bieden nieuwe mogelijkheden voor diagnostiek en preventie van darmkanker. Annemarie Boleij: “Als FAP-patiënt heb je een groot risico op het krijgen van darmkanker. Nu we weten dat bacteriën zo’n belangrijke rol spelen, zouden we kunnen onderzoeken of je het risico kunt verlagen door de bacteriën te elimineren. Bijvoorbeeld met bepaalde voeding, vaccinaties tegen deze bacteriën of probiotica. Dit kan ook voor patiënten met andere vormen van darmkanker, of ontstekingsziekten van de darm van belang zijn.”

Bron: Radboud UMC