Aesculaap

Familiair risico darmkanker reikt voorbij eerste graad

Het risico om darmkanker te ontwikkelen is bijna even groot wanneer een halfbroer of halfzus de aandoening heeft, als wanneer een volle broer of zus die diagnose heeft. Als de ziekte bij een halfbroer of halfzus voorkomt, heeft dit dus een grotere invloed op het risico dan op basis van genetische overlap zou worden verwacht.

Uit eerdere studies bleek al dat het hebben van een eerstegraadsfamilielid met darmkanker een risicofactor is voor het ontwikkelen van darmkanker. Voor andere familieleden was het risico minder eenduidig gekwantificeerd. Met gegevens uit een aantal Zweedse gezondheidsdatabases, waaronder een kankerregistratie van de periode 1958-2015 en een genealogisch overzichtsbestand vanaf 1931, lukte het onderzoekers uit onder andere Heidelberg en Malmö nu om ook te kwantificeren in hoeverre darmkanker bij verwanten met minder genetische overlap het risicoprofiel beïnvloedt.

Van de 12.829.251 individuen waarvan minstens één eerstegraadsfamilielid bekend was, kregen er 173.796 darmkanker. Ongeveer 10% van deze patiënten had minstens één eerste- of tweedegraadsfamilielid met darmkanker. Bij mensen met een eerstegraadsfamilielid met darmkanker vonden de onderzoekers net als in eerdere studies een 1,6 keer hogere incidentie (95%-BI: 1,57-1,63) van darmkanker dan bij mensen zonder een eerstegraadsfamilielid met dit soort tumoren. Dat was vergelijkbaar met de verhoogde incidentie van darmkanker bij alleen twee aangedane tweedegraadsfamilieleden (gestandaardiseerde incidentieratio: 1,6; 95%-BI: 1,4-2,0) en hoger dan de verhoogde incidentie van darmkanker bij alleen één aangedaan tweedegraadsfamilielid (gestandaardiseerde incidentieratio: 1,2; 95%-BI: 1,1-1,3).

Voor andere stamboompatronen, zoals darmkanker bij een grootouder of meerdere familieleden van andere graden, leek de verhoogde incidentie ongeveer in overeenstemming met de verwachte mate van genetische overlap. Alleen bij halfbroers en halfzussen, tweedegraadsfamilieleden dus, vonden de onderzoekers een incidentieratio die met 1,5 (95%-BI: 1,3-1,8) bijna even hoog was als die bij eerstegraadsfamilieleden.

De resultaten wijzen er volgens de onderzoekers op dat gedeelde leefomstandigheden in de kindertijd mogelijk een belangrijk rol spelen bij het verhogen van het risico op darmkanker. De gevonden verbanden hebben volgens hen vooral een praktisch nut, omdat de screening op darmkanker er verder mee gepersonaliseerd kan worden.

Geschreven door Lucas Maillette de Buy en Wenniger

Bron: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde